
Franz Joseph Gall was in de 18e eeuw druk met het bevoelen van hoofden. Vooral hoofden van misdadigers, gekken en moeders die hun kinderen verlaten hadden vond hij erg interessant. Door het bevoelen van deze schedels inventariseerde hij deukjes, bulten of ander vreemdsoortige vormen die het gedrag van deze mensen konden verklaren. De grootste betekenis die hij heeft gehad voor de wetenschap was zijn theorie dat emoties niet in het hart zitten maar in de hersenen.
Momenteel gaat onderzoek naar de hersenen net iets makkelijker. Men legge de persoon onder de MRI, laat hem een taalopdrachtje uitvoeren en voila hersenactiviteit links-tempero-parietaal. Prachtig. Maar wat als dit taalgebied in hersenen verstoord is? Dan gaat spreken, begrijpen, lezen en schrijven niet meer automatisch zoals wij dat doen. Afasie, razend interessant. Ook al is het voor deze mensen niet gemakkelijk om een boodschap over te brengen, de emoties zijn gelukkig niet aangetast. Dat zorgt voor veel blijdschap als de communicatie wel lukt.
Deze mijnheer Gall kende ik niet. Maar wel Lavater, schedelmeters en andere 'gelaatskundigen' uit die tijd; dikke mode in de late 18de eeuw en daarna. Het moet ons manen tot voorzichtigheid om de door darwinsten geprogandeerde overstap van functioneren naar fysiologie te maken.
BeantwoordenVerwijderen